Zonder respect geen voetbal
Home » het spel » initiatief » overtal

overtalsituaties

                       

Het gebeurt in een wedstrijd niet heel vaak dat je met meer aanvallers dan verdedigers in de buurt van het doel van de tegenstander komt. Als het gebeurt, dan moet je dat snel uitbuiten, ofwel: een doelpunt maken! Hoe je dat het beste kan doen, leer je met onderstaande oefeningen. Het gaat dan om snelheid van handelen, zuiverheid van aanspelen van je medespeler en de kortste weg kiezen naar de goal en natuurlijk (voor de D-pupillen): oppassen voor buitenspel!


 Oefeningen a en b zijn geschikt voor alle pupillen.      Oefeningen c en d zijn bedoeld voor D-pupillen.


a.  2 tegen 1 met een keeper

b.  2 tegen 1 met een keeper en terugkomende verdediger

c.  3 tegen 2 met een keeper en buitenspel

d.  6 tegen 4 met een keeper en twee kleine goaltjes  


a. 2 tegen 1 met een keeper


Zet een veldje uit vanaf de middencirkel met een breedte van ongeveer 15 meter richting het grote goal. Deel de groep op in tweetallen. De tweetallen stellen zich op bij de middencirkel. Eén tweetal speelt als verdedigers (om de beurt). Verzamel voldoende ballen bij het startpunt. Bedoeling is dat het aanvallend tweetal in hoog tempo (afhankelijk van de balvaardigheid van de groep) de verdediger uitspeelt. Aanwijzingen trainer: ga uit elkaar, op het juiste moment vragen/spelen, op het juiste been, houd de bal laag, ga naar de goal als het kan, en natuurlijk: probeer te scoren! Benadruk dat dit soort momenten (overtal) niet vaak voorkomt in de wedstrijd en het een goede kans is om een doelpunt te maken. Als de overtalsituatie niet snel genoeg wordt benut, zal de verdediger in de wedstrijd hulp krijgen van een terugkerende medespeler. Om het tweetal te stimuleren om de aanval in een hoog tempo uit te voeren kun je een tijdlimiet instellen, bijvoorbeeld 15 seconden. Als de tijd voorbij is, stopt de aanval en gaat het aanvallend tweetal snel (buitenom) terug naar het beginpunt. Als oefening a. goed loopt, kan de druk worden opgevoerd door enkele seconden na de start van het aanvallend tweetal een tweede verdediger vanaf de middenlijn te laten terugkomen (zie oefening b). 


 

b. 2 tegen 1 met een keeper en terugkomende verdediger      


Als oefening a. goed verloopt, kan de druk wat worden opgevoerd door enkele seconden na de start van het aanvallend tweetal, een verdediger vanaf de middenlijn te laten terugsprinten om de verdediger te helpen. Het aanvallend tweetal moet dus tempo maken om de overtalsituatie te benutten.


   c. 3 tegen 2 met een keeper en buitenspel


De opzet voor deze oefening is dezelfde als bij oefening a. Maar het veld is breder, namelijk de breedte van het strafschopgebied. Deel de groep op in drietallen. Een drietal levert twee verdedigers, waarvan er een regelmatig wisselt met de derde verdediger, die op z'n beurt wacht naast de goal. De aanvallers bepalen wie er in het midden met de bal van start gaat, de andere twee kiezen positie aan de zijkanten. De trainer kiest positie aan een zijlijn om buitenspel te kunnen beoordelen. Aanwijzingen van de trainer: zorg steeds voor een afspeelmogelijkheid, speler aan de bal ´zoek de tegenstander op´ om hem te dwingen een keuze te maken tussen het dekken van een andere aanvaller of afgaan op de bal. Belangrijk onderdeel van de oefening is, dat spelers gaan inzien wat het juiste moment is om de bal te vragen of aan te spelen om buitenspel te omzeilen. De trainer kan het spel stilleggen op het moment dat een speler de bal vraagt en krijgt in buitenspelpositie. Hij kan dan uitleggen wat er misging en hoe het beter had gekund.


 d. 6 tegen 4 met een keeper en twee kleine goaltjes


Gespeeld wordt over de hele breedte van het veld. Op ongeveer 10 meter afstand van de middenlijn worden twee kleine goaltjes neergezet met pilonnen. De goaltjes staan elk ongeveer 15 meter vanaf de zijlijnen en zijn drie meter breed. De kleine doeltjes worden verdedigd door het zestal. De grote goal door het viertal. Bedoeling is dat het zestal gebruik maakt van het overtal door de bal zuiver rond te spelen over de grond en zo op zoek gaat naar de mogelijkheid om de bal vanaf de zijkanten voor te goal te brengen of via een pass bij een medespeler te krijgen die in kansrijke positie staat. Het zestal mag alleen scoren uit een voorzet of een pass. Dus niet aannnemen en schieten. Neemt een speler in kansrijke positie de bal toch aan, dan moet hij de bal terugspelen naar een medespeler om opnieuw op zoek te gaan naar een voorzet of pass. Bij het zestal speelt de linksbuiten van het elftal links op de flank en de rechtsbuiten op rechts, de overigen zijn middenvelders en een centrumspits. Het viertal kan scoren door de bal over de grond tussen de pilonnen van een van de twee goaltjes te spelen. Halverwege de oefening wisselt het viertal met de drie middenvelders en de centrumspits van het zestal, de flankspelers blijven op hun positie. Eventueel kan het zestal worden uitgebreid tot een zevental, zodat de kern van de oefening (combineren tot er een kans ontstaat) beter uit de verf komt.